Het boek: Cliché verhalen van een cliché mama


De allerclichéste verhalen van Mama Kimm mee op vakantie? Dat kan!

Iedere ouder kent ze wel. Van die clichés, waarmee je wordt doodgegooid wanneer de roze wolk eigenlijk grijs blijkt te zijn. Wanneer je van vermoeidheid niet meer weet of je de vaatwasser nou aan het in- of aan het uitruimen was. Wanneer je van gekkigheid niet meer weet waar je de wandelwagen, de buggy, de Maxi-Cosi, de box, de kinderstoel én de wipstoel moet parkeren in het huis dat ooit leefbaar was. Wanneer je net te laat de deur uit rent en tijdens een vergadering ontdekt dat er een klodder snot aan je broek kleeft. Wanneer je een supermarktoorlog hebt overleefd, en de met zorg bereidde maaltijd in de gordijnen ziet belanden. Wanneer je bijna bedwelmd wordt door poepluier nummer 26. Wanneer je struikelt over het speelgoed, terwijl kind 1 en kind 2 ruzie maken over een geel blokje. Cliché verhalen van een cliché mama is een bundeling van de allerclichéste verhalen uit het leven van een cliché moeder. Bij wie het leven over van alles gaat, behalve over rozen.Deze bundel is een aanrader voor ouders met jonge kinderen. Eerlijk, herkenbaar, en met humor.

Cliché verhalen van een cliché mama is te koop via www.bol.com. Bestel snel! € 14,95.

Ik, de vluchteling


Het regent hard. Snoeihard. Dikke druppels op ons dakraam. Het alarm van een auto gaat spontaan af in de straat. Ik word er wakker van. Hoor mijn kinderen slapen in de kamer aan het andere einde van de gang. De ene snurkt een beetje. De ander giebelt in haar slaap. Ik glimlach in het donker. Als een deken ligt de nacht nog over ons huis. Het is warm binnen. De regen heeft de warmte niet uit ons huis gejaagd. Ik stap zachtjes uit bed en pak een zomerdekbed uit de kast. Zonder dekens is het te koud. Maar met een dik dekbed is het te warm. Morgen begint er weer een nieuwe dag. Vol met nieuwe keuzes. Bruinbrood of witbrood voor het ontbijt? De kinderen moeten naar school. Wordt het warm? Of moeten ze voor de zekerheid een vestje mee? Kunnen we op de fiets? Pakken we de auto om een nat pak te voorkomen? Moet ik nog boodschappen doen voor het avondeten? Keuzes. Elke dag weer.

Wanneer in je leven komt het moment dat je je zomerdekbed achter je laat. En je fiets. Je bed, je kledingkast. Wanneer in je leven komt het moment dat je een rugtas pakt, zo groot mogelijk, om de kinderkleertjes in te stoppen. En welke stop je er dan in. Wanneer in je leven komt het moment dat je de deur achter je dicht trekt. Terwijl je niet weet of je hem ooit nog open zult doen. Je eettafel, je zorgvuldig uitgezochte bank. Je lievelingsplaid. Je boekenkast vol lievelingsboeken. De knuffels van de kinderen. Je huis, je thuis, je alles.

Wanneer in je leven kus je je familie gedag. En heb je daar dan nog tijd voor? Hou je je mobiele telefoon zo lang mogelijk bij je? Is contact met je familie misschien je laatste strohalm in de wereld waar jij niet langer jij bent? Waar je kinderen niet langer de leerlingen zijn van groep 2 en 4. Van hun klasje, in de school die zo bekend is. Wat moet er gebeuren in je leven om alles op te geven en te gaan. Zonder te weten waar naar toe. Om met alles wat je kunt dragen, het huis waar je kinderen groot werden de rug toe te keren. Zonder te weten hoe je je kinderen over een dag of 2, als de boodschappen die je mee kunt nemen op zijn, te eten moet geven.

Wat moet er in je eigen land gebeuren als je bereid bent om samen met je kinderen in een rubberboot te stappen zonder te weten of je de overkant haalt. Flitsen er beelden door je hoofd van een einde, midden op de oceaan? Een einde waarbij je je kinderen niet meer kunt redden en samen met hen niet meer zal zijn dan een groepje levenloze aangespoelde lappenpoppen? Of kun je dat uitschakelen, op zo’n moment? Moet je het uitschakelen op zo’n moment? Hoe groot moet de wanhoop zijn als je dat kunt?

Ik word verdrietig van de beelden op het nieuws. Huilende kinderen, wanhopige ouders. Ik hoop mijn kinderen nooit, maar dan ook nooit, op die manier uit hun veilige omgeving te hoeven halen. Hoe groot moet de wanhoop zijn om dat te doen. Wetende dat ergens onderweg, ik niet meer ik ben, maar dat ik de vluchteling ben geworden.

Tranen


Dikke tranen op de trap. Groot verdriet, onverklaarbaar. Het enige wat ik had gezegd was: “Doe je jas nou even aan.” Waarop zij stuurs de andere kant op had gekeken. En stuurs werd boos en boos werd verdrietig. Haar vader en broer stonden eerst onverschillig, toen ongeduldig en nu niet begrijpend naar haar te kijken. En ik liep nog steeds met die jas in mijn hand. “Het is buiten koud Lyla, doe hem nou maar aan.” Toen kwamen de tranen. Hele dikke dus, en onbedaarlijk. Alsof een heel klein mannetje in haar hoofd de kraan open had gezet. Ze snikte steeds harder. En de mensen liepen met een steeds grotere boog om haar heen. Eerst werd ik boos. Maar net voordat ik dat wilde laten merken, zag ik het. Ze moest huilen, en wist niet waarom. Zoals grote meisjes wel eens hebben. Dat de tranen ineens komen, zonder reden. Dat “doe je jas nou eens even aan” een reden kan zijn. Of het tapijt van de trap dat de verkeerde kleur heeft. Of het feit dat de film ineens afgelopen was terwijl je er zo van genoot. Het kan allemaal, soms, net even verkeerd vallen. Zoals vandaag.

Ik nam haar op schoot, aaide over haar haren. Liet de mensen rustig met een grote boog om ons heen lopen op de bioscooptrap waar het grote verdriet was ontstaan. Op mijn vraag wat er aan de hand was, antwoordde ze de verwachte woorden “ik weet het niii-eeet”. En ik wist dat het waar was. Ze wist het niet. De dikke tranen waren er zomaar ineens. “Kun je er mee stoppen?” vroeg ik. “Ik weet het niii-eeet,” snikte ze weer. Ik aaide nogmaals over haar hoofd. En begon toen haar tranen te drogen met een punt van mijn T-shirt. “Stil maar. Stil nou maar,” dirigeerde ik het verdriet opzij. En intussen deed ik haar stiekem haar jas aan.

Ze keek op van de trap. Nog één dikke traan biggelde over haar wang. En toen was het over. “Kom maar, we gaan,” wenkte ik naar de mannen, die zich op een afstandje hadden schuil gehouden. Verstandig. Soms. Zoals nu.

Het leven is onverklaarbaar. Verdriet ook.

Indruk maken


Gistermiddag kreeg ik een officieel verzoek. Van mijn dochter. Nog net niet in drievoud, waarschijnlijk omdat ze nog niet kan schrijven. Of ik alsjeblieft de zolder wilde opruimen. Omdat de zolder bij ons een ruimte is waar niemand ooit komt en waar we alleen overbodige meubels stallen waar we nog geen afscheid van kunnen nemen, was ik lichtelijk verbaasd. Op mijn “de zolder, lief?” reageerde ze geïrriteerd. Zoals opgroeiende meisjes dat kunnen doen als hun moeder geen idee heeft wat er gaande is.

“Want Hilde komt toch spelen!” Riep ze verontwaardigd uit. “Dan willen we op zolder.” Opgetrokken wenkbrauwen aan mijn kant, fronsende wenkbrauwen aan haar kan. “Want dat is cool,” verduidelijkte ze de zaak. Ik moest een beetje grinniken. Ook dat viel niet in goede aarde. Maar het was wel erg gemeend. Ik vond het schattig, en het was nieuw. Dat mijn grote kleine meisjesdochter indruk wilde maken op een vriendinnetje. Ik snapte het ook wel. Normaal komen de vrienden van Vinnie spelen. Of de buurjongens. Daarop hoeft ze geen indruk te maken, want dat gaat namelijk helemaal vanzelf. Als zusje van haar grote broer wordt ze door vrienden en buurjongens als een prinses behandeld. En als ze even haar zin niet krijgt, dan gaat ze huilen. Dan knuffelen ze haar plat. Net zo lang tot ze niet meer huilt en het voor iedereen duidelijk is dat het spel gespeeld gaat worden zoals Lyla dat graag wil.

Indruk maken op een vriendinnetje daarentegen, dat is veel moeilijker. En ik vind het aandoenlijk dat mijn meisje zich daar al bewust van is, want het is waar. Je moet eerst heel veel indruk hebben gemaakt op elkaar, voordat vriendinnetjes elkaar plat knuffelen. En dan laten ze elkaar bijna niet meer gaan. Maar voor het zover is, kan er van alles misgaan.

Spelen in de saaie huiskamer bijvoorbeeld, waar je moeder ook zit te werken. De smaak van het drinken dat niet in goede aarde valt. Je voor-de-zekerheid-liggen-ze-er-nog-steeds-luiers, die je moeder niet weg durft te doen, want stel je voor. Je jongenshemden omdat je die nou één keer gratis en voor niets van je broer hebt geërfd. Muziek uit 1980 in de cd-speler. Een goudvis als huisdier in plaats van een hondje. Alles, maar dan ook alles kán verkeerd zijn. Maar misschien ook niet, dat is het lastige.

En dus nam ik mijn opdracht serieus. Ik ruimde de hele zolder op. Haar vader ging er achteraan met de stofzuiger. Ik mikte de luiers én de doekjes achterin de kledingkast en deed haar lievelingscd in de cd-speler. Ik verwisselde het Micky Mouse beddengoed voor een set met roze bloemen en kieperde twee kapotte barbiepaarden in de prullenbak.

En het was goed. Hilde vond het prachtig. De vis, de letterbak met kleine poppetjes, de grote speelzolder, het bloemetjesbeddengoed. Álles.

En zo speelden ze samen, nog lang en gelukkig.

Spelen


“Mama?” vraagt mijn zoon met een ernstig gezicht. Ik kijk hem aan. Als hij zo kijkt gaat hij meestal een hele moeilijke vraag stellen. Zoiets als: “Waarom zijn de wolken wit”. Of: “Hoe kan het dat wij allemaal weten dat Nederlands Nederlands is”. Van dat soort vragen. Geen idee waar hij het vandaan haalt. Ik heb het hem wel eens gevraagd hoor, hoe het komt dat hij altijd zulke moeilijke vragen stelt. Maar hij had er geen antwoord op. Ze kwamen gewoon zomaar in zijn hoofd.

“Mama?” vroeg hij nog een keer toen ik niet onmiddellijk antwoordde met: “Ja, Vin?”. “Mama, waarom hou jij niet van spelen?” De stilte die er achteraan kwam gaf aan dat het menens was. Ik ben verbaasd over de vraag. Zo verbaasd dat ik hem in mijn hoofd een aantal keren herhaal. “Waarom ik niet van spelen hou. Waarom hou ik niet van spelen. Waarom niet?”

“Ik hou wel van spelen hoor. Best wel. Ik vind spelen leuk.” vertel ik hem, terwijl hij mij hoofdschuddend aankijkt. “Niet mam, je houdt niet van spelen. Je wilt nooit met ons spelen.” Verontwaardigd kijk ik hem aan. “Ik speel altijd met jullie als ik vrij ben!” zeg ik, denkend aan al die keer dat ik legoblokjes zoek en bouw, en bouw en zoek tot ik er scheel van ben geworden.  “Nou, alleen dan.” zegt Vinnie nukkig. “Maar anders nooit.”

Mooi is dat! Ik ben dan wel geen moeder die gezellig de hele woensdagmiddag doorbrengt met koekjes bakken, knutselen en in de zandbak zitten, maar dat ik nooit speel is wel het andere uiterste. “Maar je h-o-u-d-t niet van spelen mam, hoe kan dat? Ik vind spelen het leukste wat er is. Het aller-, aller-, allerleukste dat er is. Maar jij niet. Hoe kan dat?”

En als ik eerlijk ben heeft hij gelijk. Ergens tussen mijn kindertijd en nu ben ik opgehouden met houden van spelen. Ik lees liever, of maak een plan voor de moestuin. Ik bouw een website, ontwerp een kaart, schrijf een stuk. Maar spelen? Nee, je maakt mij niet gelukkig met de hele dag spelletjes doen en wipwappen. Gek eigenlijk, dat dat zo is. Wonderlijk.

Ik kijk Vinnie aan. “Ik hoop dat jij nog heel lang houdt van spelen vent. Speel maar lekker de hele middag. En raak het alsjeblieft niet kwijt.”

Ik zou meer moeten spelen, geloof ik.

About Brothers and Sisters


“Sister, please. Come to see my things.” Zijn donkerbruine ogen kijken me vragend aan. Hij maakt een armgebaar naar het kleed waar zijn handelswaar staat uitgestald. Vanuit de auto zagen de houten beeldjes er al prachtig uit maar van dichtbij valt het me pas op hoe gedetailleerd ze zijn.

“Sister, please. Maybe you like something?” Mijn ogen dwalen langs zijn handel. Beeldjes, van klein tot heel groot. Armbanden, ringen, kralenkettingen. “Zelf gemaakt?” vraag ik, terwijl ik naar de Olifantjes knik. “Alles is zelfgemaakt.” verzekert hij me. Hij legt uit dat er verschil zit in de houtsoorten, vandaar de verschillende kleuren. Zijn felgele voetbalshirt wordt extra geel op zijn donkere huid. “What would you like Sister?” vraagt hij nog eens. Ik zie de giraffes. Lyla houdt van giraffes. Maar voordat ik iets zeg kijk ik eerst naar iets voor Vinnie. Ik wil de complete aankoop in beeld hebben voordat we gaan onderhandelen. Ik spot een mooie leeuw voor Vinnie. Eerst wijs ik naar de giraffe. “Hoeveel kost die?” vraag ik. “Four thousand.” zegt hij beslist. Zonder te reageren op zijn prijs vertel ik: “Het is voor mijn dochter. Ze houdt van giraffen.” Zijn ogen lichten op. “Mijn dochter houdt ook van giraffen.” Hij glimlacht. “Hoeveel kost het?” vraag ik nogmaals. Hij lacht. “Three thousand.”

“De leeuw? Kost die ook drieduizend?” vraag ik. Zonder aarzelen gaat hij akkoord. Ik betaal dus te veel. Denk ik. Ik vind het niet erg. Het zijn prachtige beeldjes.

“Vertel eens over je gezin.” zeg ik, terwijl hij me de dieren plechtig overhandigd. Hij recht zijn rug en glimlacht. Zoals een vader doet als je naar zijn kinderen vraagt. Twee kinderen, heeft hij. Een jongen en een meisje. De oudste, zijn dochter, gaat al naar school. Hij vindt het belangrijk dat zij later iets anders kan doen dan houten beesten verkopen langs de kant van de weg. Ik vertel hem dat ik juist onder de indruk ben van de houtsnijwerken. “Hoe oud ben je?” vraag ik op de man af. Hij denkt na. “26.” antwoordt hij. “Nee wacht, 28 alweer.” Ik lach. Vertel dat mijn man ook altijd in de war is over zijn eigen leeftijd. “And you and your husband?” vraagt hij. “Have you got more kids?” Ik laat een foto zien van Vinnie en Lyla. Hij is verrast hoeveel Lyla op mij lijkt. “What about school? Do the have good grates?” Ik glimlach. Zoals een moeder doet als je naar haar kinderen vraagt. “Ze halen hele goede cijfers.” “Good for you.” zegt hij welgemeend.

Op de achtergrond hoor ik de chauffeur de auto weer starten. “Ik moet gaan.” zeg ik. “Wees trots op je handel. Het is schitterend.” Hij schudt mijn hand. “Dank je wel. Dankzij jouw aankoop kan ik mijn kinderen weer ondersteunen.”

De auto rijdt bijna weg. Een klop op het raam klinkt aan mijn kant. Ik open de deur. “Sister.” zegt hij terwijl hij iets in mijn handen drukt. “Thank you for visiting me. This is for your little girl.” Hij drukt de deur weer weg dicht en loopt terug naar zijn kraam.

We gaan weer op pad. Ik zwaai. Onderweg open ik mijn hand. Er zit een houten sleutelhanger in van een giraffe.
image

Het bonusventje


Onlangs kwam er een klein ventje in mijn leven. Hij nam direct een bijzondere plek in. Hij is de enige, op die plek. Wat een mazzel, zou je kunnen denken. Maar ik denk dat ik nog veel meer mazzel heb dat hij die plek in nam. Mijn hart maakt een sprongetje, als ik weet dat hij in de buurt is.

Vanochtend zagen we elkaar weer even. Konden rustig aan elkaar snuffelen. Hij lacht zodra hij me ziet. En ik lach, zodra ik hem zie. Nog niet zo lang geleden lag hij voornamelijk te slapen, maar vandaag zat hij stoer op mijn arm. Zijn armpje over mijn schouder geslagen, om ondertussen onderzoekend naar Vinnie en Lyla te kijken, die achter mijn rug met Lego aan het spelen zijn.

Ik had nooit kunnen bedenken hoeveel ik van hem hou, maar vanaf het eerste moment is het alsof hij er altijd is geweest.

Mijn bonusventje. Mijn neefje Mingus. Met grote dank aan mijn zusje en zwager.

Kleine meisjes worden groot


Vandaag vier jaar geleden, zat ik ook op de bank. Met een enorme dikke bolle buik. Niet kunnen vermoeden dat voor het ochtendgloren een nieuw meisje mijn liefste vriendinnetje zou worden. Lyla kwam in sneltreinvaart. Aan het einde van de nacht kwam de verloskundige, aan het begin van de ochtend aten we beschuit met muisjes. Roze muisjes.

Ik kijk naar haar babyfoto’s. Mijn meisje huilde de eerste maanden. Uren, dagen, weken achter elkaar. Tot er een moment was van totale uitputting. Dan sliep ze even. Kwam haar stem weer een beetje bij. En daarna begon ze weer. Uren, weken, maanden achter elkaar. Haar beentje bleek uit de kom. Vijf minuten bij de chiropractor was genoeg om haar stil te krijgen.

Ze begon te lachen. En stralen. En ik kon weer een beetje licht zien, daar aan het einde van de tunnel. Mijn gezin was compleet. Een vader, een moeder, een zoon en een dochter. Perfect. Ik pakte mijn leven weer op. Drukte hier, drukte daar, altijd onderweg. Kinderen in de crèche, bij oma, bij hun papa. Overal, en ik maar druk zijn.

Ik kijk naar de foto’s van Lyla als peuter. Alsof ik ze voor het eerst zie. Ze lacht, op bijna allemaal. En ik schrik van het feit dat ik me vooral herinner dat ik het altijd druk had. En schreeuwde. En moe was. En boos was. Ik heb het gemist. Dat lachen. Ik was er niet bij. Met mijn lijf misschien wel, maar niet met mijn hoofd. Er waren plannen, er moesten stappen gemaakt worden.

Ondertussen werden er stapjes gezet. Eerste stapjes. En kwamen er tandjes. En een eerste woordje. Een eerste blijk van herkenning. Ik zie ze op de foto’s, maar kan ze niet goed terughalen uit mijn herinnering.  Ik slik. Ik baal. Ik kan er niets meer aan veranderen. Ik wil wel in het boek duiken. Even terug naar toen. Wel genieten van mijn lachende meisje. Wel kunnen functioneren zonder me aldoor opgejaagd te voelen.

Mijn kleine wijfie gaat straks naar school. Ze oefende al. Dapper, in een eigen klas zonder haar broer. Ze vond het lastig, maar ook leuk. Ik vond het lastig, en niet perse leuk. Dat komt wel, weet ik. Ik heb het bij Vinnie ook overleefd. Haar vader brengt haar de eerste paar keren. Ik kan dat niet. Sta dan te janken bij de klas. Zou willen genieten van die eerste spannende keren op school.

Er moest vanavond nog even een taart komen, voor morgen. Maar natuurlijk was het taartschap leeg, om half 10 ’s avonds. Er lag nog één schnit. Officieel vind ik dat geen taart. Ik wilde een grote taart, voor mijn meisje. Met ballonnen, en een prinses. Ik sta mokkend voor het vak. Ik heb weer eens gefaald. Kan niet eens een fatsoenlijke taart op de kop tikken. Ik drentel door de winkel. Schiet een vakkenvuller aan. “Is er echt niet nog één taart?” Hij schudt zijn hoofd. Zegt sorry. En vindt het jammer voor me, dat hij me niet kan helpen. Ik ben boos. Maar niet op hem. Vooral op mezelf. Wie gaat er dan ook taart kopen om half 10 ’s avonds?

Ik kies voor de schnit. En voor een busje hartensnoepjes. Ik duikel een prinses op uit de speelgoeddoos. Die prinsessentaart zal er komen. Als moet ik hem zelf bakken. Mijn meisje is jarig. En dat gaan we eens goed vieren. Zo goed dat ik geen foto’s nodig heb om me het over vier jaar nog te kunnen herinneren.

De 7 in de klok


“Psssttt… Mama? Mama? Ben je wakker? Kijk eens hoe laat het is?”

Fel licht flitst voor mijn ogen langs. Ik probeer te bedenken wat het is. En wie denkt mij op dit tijdstip wakker te moeten maken.

“Mama? Kijk nou eens. Mama? Ik hou de wekker voor je hoofd. Moet je eens kijken?”

Het licht komt dus bij de wekker vandaan. Ik probeer te zien wat er op staat. Dat is best moeilijk als je ogen nog dicht zitten van de slaap en het licht feller lijkt dan dat van een zaklantaarn.

“Moet je eens kijken Mama. Kijk dan eens. De 7 zit nog niet eens in de klok. Toch?”

De 7 in de klok. Dat is onze regel in het weekend. De 7 aan de voorkant van de tijd. Anders is het nog te vroeg. Ik spot in alle vroegte een 5 aan de voorkant.

“Vin. Er staat geen 7, er staat een 5. Het is nog tijd om te slapen. Ga naar je bed alsjeblieft.”

Gestommel op de gang. Ik val weer bijna in slaap. De wekker valt met een klap op de grond. Dan een luide roep vanaf de andere kant van de gang.

“Gelukkig hè Mama? Dat ik het even aan je heb gevraagd. Want anders waren Papa en Lyla nu ook wakker!”

SuperMama


‘Vin? Moet je naar de WC?’

‘Nee hoor mama, nee hoor.’

…..

‘Huh? Ik moet wel naar de wc! Hoe kan het dat jij dat altijd weet?!’

De grote man rent van zijn stoeltje, waar hij zojuist nog bijna van afwiebelde. Als hij terug komt kijkt hij naar zijn zus en zegt ernstig: ‘Weet je Lytje? Mama weet altijd alles. Das gek hè? Maar het is echt zo. Net wist ze zelfs dat ik naar de wc moest!’

Lylaatje kijkt me aan. ‘Dat zal ik eens even testen.’ Zie ik haar denken. En ja hoor…

‘Mama?’ Ze kijkt me vragend aan. ‘Weet jij wie mijn beste vriendin is mama?’ Ik denk even na. Er zijn verschillende opties. Ik, want ik ben nou eenmaal haar moeder. Of oma, want die heeft laatst Lego voor de kleine meid gekocht. Of Nienke, want die bestaat volgens Lyla in drievoud. Volgens Lyla heten namelijk Nienke én haar twee dochters allemaal Nienke. Dus met Nienke maak ik zeg maar drie keer kans. ‘Je weet het niet hè?’ Onderbreekt Lyla mijn overpeinzingen. Ik val hier verdorie bijna door de mand.

‘Ik!’ Antwoord ik gauw. Ik wil graag nog wat langer hoog in achting worden genomen dan enkel de afgelopen 10 minuten. ‘Ik ben jouw beste vriendin!’

Lyla trekt haar wenkbrauwen op zoals alleen zij dat kan. The moment of truth. ‘Mama weet écht alles!’ Roept ze over haar schouder naar Vinnie.

Ik slaak een zucht van verlichting. Ik kom er nog altijd mee weg. Nog even mag ik van mijn SuperMama status genieten. Nog heel even…