Ongerust

“Ben jij boos?” Vraagt mijn kleine meid terwijl ze op de achterbank van de auto haar traantjes aan het wegvegen is. “Nee popje, ik ben niet boos.” Stel ik haar gerust. “Ben je dan blij?” Vraagt ze met een piepstemmetje. “Nee Lytje, ik ben ook niet persé blij.” Ik zie in haar ogen dat dat haar verward. In de wereld van Lyla ben je óf boos, óf blij. Er zit nog weinig tussen. “Ik ben ongerust en geschrokken.” Leg ik haar uit. “Ongelust?” Herhaalt ze verbaast.

Nog geen 3 minuten daarvoor renden Vinnie en Lyla als een stelletje wilde apen over het pleintje voor het huis van mijn ouders. Bij de meeste kinderen gaat dit altijd wel goed, bij die van mij niet. Ze zijn gewoon erg onhandig en lomp en er valt altijd wel eentje. Zo viel Vinnie deze week in een plas terwijl hij naar school rende, viel hij later die week een gat in zijn knie en nu zit Lylaatje met een dikke lip achterin de auto. Ken je dat moment? Dat je weet dat je kind gaat vallen, maar dat je te ver weg bent om het te vangen? Dan je in slowmotion ziet dat het nog gave gezichtje de grond raakt en dat de wereld heel even stil staat? Dat gebeurde dus. Met pijnlijke precisie viel mijn kleine meid op haar lip, waardoor haar hele mond direct vol stond met bloed. Zoveel bloed dat ik eerst niet goed kon bepalen of ze een tand miste of dat het haar lip was, maar gelukkig bleek het alleen een gaatje in haar lip te zijn. Uit schrikreaktie troost ik haar niet alleen, maar klink ik ook boos.

En dus vraagt mijn kleine meid, terwijl ze weer een beetje bij gekomen is en op de achterbank zit, of ik boos ben. Maar nee, ik ben niet boos. En ook niet blij. Ik was ongerust. In Jip en Janneke taal probeer ik uit te leggen wat dat woord betekend. “Ongelust,” herhaalt ze het nog maar een keertje. Je hebt boos, en blij, en dus ook ongerust. Weer wat geleerd vandaag.